
GEOLOGIE
‘Liebespaar, sich umarmend’ , Käthe Kollwitz
Laten we ons warmen in de zon
als dazen. Ik hou de wacht.
Alles wordt hier buitentijds:
adem, ritme, aangebeten mond.
Weg het donker, achterin m’n ogen.
Omhels, omspan, omschut me
met je huid van cederhout.
Maar alles is bloemzoet.
Van hoeken snijden maak je nog
geen vierkant rond, het weggaan
zit al in je lijf. Net als taal
ben je nooit helemaal van mij,
Barnsteen wil ik worden. Blijf.